Agha Reza

“Ik die niet eens wist hoe je de woorden politiek vluchteling moest schrijven was ineens politiek vluchteling,” vertelt Agha Reza, een danser die met een circus in Europa op tournee was toen de revolutie in Iran uitbrak. In Barcelona hebben de circusmedewerkers gehoord dat ze nieuwe paspoorten moesten aanvragen bij de ambassade van de nieuwe revolutionaire regering.

“De ambassade had wel een voorwaarde: We moesten ons eerst verontschuldigen bij het islamitische volk voor onze onreine daden, omdat wij de clowns van de goddeloze regering waren die zelf ook een clown van Amerika was. We gaven de wereld een verkeerd beeld van het islamitische volk volgens de ambassade.

Sommigen van ons hebben dat gedaan en zijn terug gegaan naar Iran. Ik ben met een paar anderen gebleven. Het is meer dan 40 jaar geleden. Ik heb de eerste jaren in Barcelona gewoond en sinds eind jaren 80 woon ik hier in Westerpark. Ik ben in de krakerswereld terecht gekomen. Gruwelijke jaren voor de stadsliedenbuurt. De politie durfde op zeker moment de wijk niet eens binnen te rijden.”

Agha Reza, inmiddels tot ridder van Oranje geslagen voor zijn inzet voor de daklozen, is voor altijd in de stadsliedenbuurt gebleven. Een kleine man met een korte sneeuwwitte baard en een woestijn-oker kleurig gezicht die ‘s ochtends met Peukje, een geadopteerde hond uit Iran, in het Westerpark wandelt.


Avondklok

Nu het voorbij is, is de tijd om het er over te hebben; de avondklok.
Bij ons in Iran was de avondklok even wat anders. Je werd gewoon neer geschoten door de soldaten als je je nest uit kwam. Naast de avondklok gold ook een samenscholing verbod natuurlijk. In die dagen is mijn broer verliefd geworden op een meisje en besloten ze snel te gaan trouwen. Mijn vader ging met een namenlijst van de genodigden die op de trouwerij aanwezig mochten zijn naar de dichtstbijzijnde legerpost om een vergunning te regelen. Als ik me niet vergis mochten er 15 mensen voor een trouwerij bij elkaar komen.
In ieder geval kwam het mijn vader goed uit, want zo bleven de kosten voor de trouwerij erg laag.


Azc van Fatima

Ik moet in het azc een paar mensen op gaan zoeken. Ik heb de lijst met namen en huisnummers en volg de gebruiksaanwijzing op het info bord bij de portier, kleur van de gang zoeken, nummers, verdiepingen. Het is een doolhof en het schiet niet op. Uitgeput vraag ik een meisje van 7/8 jaar of zij mij kan helpen met het zoeken van de adressen. Ja zegt zij. Ik volg haar. Onderweg praat ze door. “Je moet nooit de gewone paden volgen. Dat kost je veel tijd. Ik ken de snelste routes naar mensen.”
Zwijgend volg ik haar. “Zie je de blauwe gang, hier had ik graag willen wonen. Ik woon nu in de rode gang.” De gangen zijn lang en benauwd. Tussendoor groet zij mensen die we tegen komen. Soms in het Nederlands of in haar eigen taal. De mannen noemt zij oom, de vrouwen tante en de kinderen roept zij bij hun naam.
“ Deze gang ruikt altijd naar het lekkerste eten.”
Op zoek naar de kortste weg neemt Fatima mij dwars door een paar huiskamers mee. Aan het eind van de gang nemen wij de nooddeur en daarna de noodtrap. “ Zo komen we sneller bij die twee jongens. Ze wonen samen op een kamer.”
Wat mij opvalt is dat zij zich zo thuis voelt, overal. En dat zij open is met iedereen. Dankzij haar en binnen de kortste tijd zie ik, ruik ik, ontmoet ik en voel ik. Het lijkt alsof zij haar groot huis aan mij laat zien en haar vrienden aan mij voorstelt.


Behnam

Als jongetje van 5 jaar kom ik voor het eerst in aanraking met de geheime politie. Het zou ook eerder al gebeurd kunnen zijn. Maar wat ik me herinner is die keer toen ik 5 jaar was.

Het is middernacht. Ik word wakker van het lawaai. Alle lampen van ons huis branden. Ik kruip helemaal onder de deken. Van daar onder door een klein gat kijk ik naar mijn zwarte speelgoedpistool in de hand van een grote man. Hij trekt met de andere hand zijn eigen pistool en vergelijkt dat met het mijne. Hij zegt iets en begint te lachen.

De volgende dag zegt mijn moeder dat mijn broer op reis is gegaan.

Op een dag zegt mijn moeder: “kom, we gaan je zus bezoeken”.
We stoppen voor een oud gebouw. Bij de grote poort staan 2 soldaten met geweren. Een soldaat loopt naar ons toe en begint met mijn moeder te praten. Hij noemt mijn moeder ‘moedertje’ en wijst haar de weg.
“Alles komt weer goed, moedertje”.

Ik zie voor het eerst een vliegtuig opstijgen. Ik ben 7 jaar. Van school mag ik wat later komen, omdat ik naar het vliegveld moet.
In de klas vraagt de juf waarom ik huil.
Ik zeg dat mijn broer tegen de koning is en dat hij het land moest verlaten. De juf kijkt om zich heen, naar de deur en de ramen en fluistert:
“Hou je mond. Neem morgen je moeder mee naar school”.

De volgende dag vertelt mijn moeder me hetzelfde: Dat ik mijn mond moet houden en dat ze al genoeg ellende heeft.

Ons kleine huisje wordt elke avond drukker en drukker. Er komen elke avond mensen op bezoek. De jongeren zijn de vrienden van mijn zus en broers en de ouderen die van mijn vader. Ze praten hard tegen elkaar. Mijn broers en zus en hun vrienden geven mijn vader en zijn vrienden de schuld van de mislukking van het 1e verzet. Ze discussiëren tot midden in de nacht. Ik hoor van hen dat de revolutie nabij is.
Ik zie voor het eerst een plas bloed op straat.

Ik ben 14. ik word voor het eerst oom. De oorlog is al begonnen. Vanaf het begin van de avond is er een paar keer gebombardeerd.
Mijn zus krijgt weeën. In zo een rare nacht aan een ziekenwagen denken is te dom. Mijn broer zet haar achter op zijn motor en bindt haar met een touw aan zijn lijf en rijdt naar het ziekenhuis.
De volgende ochtend vroeg komt hij terug en zegt lachend dat het een jongen is met grote ogen.
Mijn zus heeft al een naam bedacht, “Behnam”. Dat betekent: “de mooiste naam”.

Op school tijdens het laatste lesuur tel ik de seconden af om snel naar “Behnam” te gaan.
Een paar dagen na de geboorte van haar zoon vertelt mijn zus ons: ”Ik ga naar mijn man om hem te vertellen dat “Behnam” geboren is.
Ze vraagt mij om met haar mee te gaan.

We stappen in de trein. De trein zit vol met soldaten die naar het front gaan.
We rijden naar het zuiden. Het is een lange reis van 18 uur. De soldaten in onze coupé vallen meteen in slaap. Ik kijk naar hen en herinner me een grap: “We gaan verticaal naar het front en komen horizontaal terug”.

s’Ochtends vroeg komen we aan. De zon komt langzaam op. We lopen de stad in,
“Het is te vroeg, we moeten wachten.”, zegt mijn zus.
We zitten op een bank en kijken rond.
Er is weinig van de stad over. De stad ligt in het bereik van zware raketten. Lange raketten van 12 meter. Er is 2, 3 en soms wel eens 6 keer per dag naar de stad geschoten, 7 jaar lang. Daar blijven wonen was niet meer mogelijk. De stad was leeg.

“We gaan.”, zegt mijn zus.
Een paar vrouwen wachten bij de poort van de gevangenis. Mijn zus loopt naar hen toe. Na een tijdje opent een bewaker de poort. Mijn zus zwaait naar mij en loopt naar binnen.

Ik zit op de grond en leun tegen een boom: “Behnam is nu wakker” denk ik. Mijn moeder zal voor hem zingen:
“Agha Behname ghandi, ……asbetto kodja mibandi, zire derachte narges, ghameto nabinam hargez,
Hoi, meneertje Behnam, je bent zo zoet als een suikerklontje, hoi, lieve zoete Behnam, waar laat je je paard staan?..... onder een olijfboom…, hoi, meneertje Behnam, lieve zoete Behnam, ik wil je nooit verdrietig zien

Mijn zus komt naar buiten.
-“Hoe was het?”
-“Goed, de groeten van hem”.
We lopen naar het station.


De dood en mijn schoenen

De school waar ik als klein jongetje naartoe ging, stond naast een grote moskee. In de grote pauze was de moskee onze speeltuin. Het was een Paradijsje. Een groot vierkant hof dat vol stond met goed verzorgde bomen. In de nette tuintjes pronkten mooie rode rozen en mollige jasmijnplanten de trots van elke Perzische tuinman. Midden in het hof lag een vierkante vijver bedekt met donkerblauwe tegels die een groot contrast vormden met de tientallen kleurige visjes die in de vijver zwommen. Het hof werd aan het zuideinde door middel van een brede overloop verbonden aan de gebedsruimte. De brede overloop was net zoals de gebedsruimte bedekt met tientallen Perzische tapijten. De moskee was een oase voor mensen die de middaghitte ontvluchtten en voor of na het middagsgebed een klein dutje wilden doen.

Als iemand zo gelukkig was om rondom het middagsgebed Het Rijk der levenden te verlaten, dan werd het lichaam voor een uurtje daar op de overloop neergelegd. Men vindt in Iran doodgaan rondom het middagsgebed het mooiste dat een levende kan overkomen. Dat gebeurde een paar keer per jaar. Het lichaam was altijd gewikkeld in een net tapijt. Het was voor ons, de kinderen, een gewone zaak geworden. Maar we bleven altijd uit de buurt van de dode.

Een keer dat wij zoals altijd op blote voeten aan het spelen waren, heeft een van mijn vriendjes mijn schoenen op de dode gezet. Ik kwam er pas achter toen ik de bel van de school hoorde. Ik raakte in paniek en durfde mijn schoenen niet pakken.

Door mijn gehuil werd een van de mannen die daar een dutje deden wakker.

Hij vroeg: “Kindje, waarom huil je?”

Ik wees naar mijn schoenen op de buik van de dode.

Hij zei: “Niet bang zijn, jongen. Die man ligt daar lekker rustig. Hij doet je niets. De levenden hebben jouw schoenen op zijn buik gezet toch?


De wasverzachter

Ziezo, ik heb een nieuw bijbaantje. Ik meld me bij de chef aan. Het eerste dat ik daar hoor, is dat ik mijn pet moet af zetten.
_"Is dit hier een kerk," vraag ik mopperend. Maar ik zet wel mijn petje af. Zo jong ben ik niet meer. Anders was ik meteen weggelopen. Volgens Iraniërs gaan de jeugdigheid en domheid samen.
Later toen ik werk kreeg als vakkenvuller, kreeg ik wel de idee, dat ik bij zoveel materiaal, zeer zeker mijn petje voor moest afzetten.
Klanten komen er niet meer zo laat op de avond, maar je hoorde regelmatig die mooie stem van een vrouw die door de luidspeaker aan de klanten vroeg: "Dames en heren, wilt u de winkelwagen mee naar boven brengen?"
Langzamerhand begon dat op mijn zenuwen te werken. Ook op de zenuwen van mijn collega, geloof ik. Hij riep af en toe balorig terug: "Dames en heren, wilt u uw kut mee naar boven brengen?"
Bij mij was het zo dat ik niet alleen de stem hoorde, maar ik kreeg ook een beeld, hoe de vrouw met die mooie stem er uitziet, zelfs, dat ze echt boven in het kantoor zit en het is niet een bandje dat elk minuut vanzelf draait. Anders zouden ze het om 9 uur kunnen uitzetten. Eigenlijk dacht ik dat de bazen gewoon in het kantoor zitten en naar ons kijken en onverwacht komen ze nog langs.
De eerste avond moest ik de vakjes met wasverzachters vullen. Ik wist wel van de wasverzachters, maar in flessen van 10 liters zag ik ze voor het eerst. Ze waren zo groot dat ik ze in mijn armen moest nemen. Lekkere geur hadden ze, mooie namen ook: "Ochtendfris", "Lentezacht". Met zulke namen en heerlijke zachte kleurtjes, zag ik me met ze te vrijen en de chef die daar toekijkt en masturbeert. Ik besloot op dat moment toen, een grote fles wasverzachter, "groter dan ik zelf", te maken. En daarmee dingen te gaan doen. Het had een duur grapje kunnen worden.
De grote fles wasverzachter.

Nosrat
Amsterdam, 1995


Goudvis

Van de zomer heeft een goede vriendin mij gevraagd om samen met haar en twee anderen in een molen te gaan wonen en daar kunst te maken. Ik vertrok de volgende dag...
Onze woonplaats was een molen zonder wieken. De wieken zijn tientallen jaren geleden door een harde storm verdwenen. Binnen was alles rond.

Voordat ik kwam, had een jongen al een week daar gelogeerd. Hij had een paar dingen achter gelaten. Een aantal foto's van zijn verblijf in de molen, zijn ondergoed, sokken en broeken die op de tweede etage als kunst aan de muur hingen, een verzameling afgebroken glazen met woordjes er op en een grote vissenkom met vijf goudvissen er in. Toen ik de molen binnen kwam, was een van de goudvissen aan het sterven.

Mijn gastvrouw was een lieve, net van de kunstacademie afgestudeerde, dame. Haar kleding hing ook daarboven op de tweede etage. Ze paste zorgvuldig op de goudvissen.
Zo begon ik in de molen zonder wieken te wonen en te werken. Natuurlijk het eerste ding in een molen zonder wieken dat opvalt, is de afwezigheid van de wieken. Een goede inspiratiebron. Ik begon wieken te maken, klein, groot, blauw, groen. Later maakte ik zelfs kleine molentjes. Ze zagen er zo lief uit dat ik ze meteen als cadeautjes uit begon te delen.

Wij leefden daar rustig. Eten en werken deden we op de begane grond. Op de eerste etage keken we naar de goudvissen en op de tweede etage sliepen we. Het was interessant. Ik telde de kleding die om me heen hing net zo lang tot dat ik in de slaap viel.
Op een keer werd ik door een schreeuw van de gastvrouw wakker:
“Een lijkje.”
“!!! ?”
“Ja, ja, een lijkje”, huilde ze. “De Goudvis is dood. We moeten iets doen.”


Hassan LA

Soeje diare asjeghan,

soeje dira asjeghan,

roo be goda mirawim, roo be goda mirawim,

“We zijn op weg naar het land van de verliefden.

We zijn op weg naar het land van de verliefden.

We gaan naar god…. We gaan naar god.”

zongen vrienden van Hassan om hem te plagen nadat hij de laatste brief van justitie had ontvangen.

Hij was uit geprocedeerd.

LA was zijn bestemming. Maar hij is niet verder dan Nederland gekomen.

Hij sprong voor een trein. Een stop trein (hoort als Nederlands woord eigenlijk aan elkaar, maar ik vind stop trein véél mooier in dit verband). Hij had zich vergist en dacht dat het een intercity was.

Daarom is hij niet direct dood gegaan.


IJsbergsla

Naast een 900 jaar oude kerk, voor een 200 jaar oud huis, leg ik een tuin aan en vertel mijn verhalen achter elkaar aan de man die mee helpt.

"Het is een goede manier; de orale uiting." zegt de man. "Ik heb een plan om straks een centrum voor gestoorde vluchtelingen op te zetten. Ik zal jou uitnodigen om daar jouw verhalen te komen vertellen."

DAAAAAAAANG, we kijken met zijn tweeën naar de top van de kerk en naar de klok. Onze blikken glijden naar beneden. De oude deur die open gaat, de man die 99 jaar oud is en zijn even oude hand en het mes, dat hij op de grote steen naast de voordeur slijpt om de aardappels te gaan schillen.

_" Bonjorn, monsieur Adam, comment aller wou?"

_" Rrrr- Mmmm- Beeou".

_"

"Mauvais, les oreilles ne fonctionnent plus, les yeux ne fonctionnent plus." "Cela ne peut pas être pire."

De oren doen het niet. De ogen doen het niet. Slechter kan het niet.


Jan van Rijn

Jan kijkt diep in het niets, neemt een flinke trek van zijn Camel, ademt in, ademt met een lange zucht de boel weer uit en zegt: “Je weet niet wat je ziet, alles is één, je beseft dat je niets bent, ‘Maha Kumbh’". Maha Kumbh werd rechtstreeks beschouwd door de NOS radioverslaggever.

Sinds ik, tijdens een ruzie, Kenneth heb gevloerd mag Jan mij. Ik wist zelf niet wat zo bijzonder aan onze vechtpartij was totdat Jan ons dat uitlegde:
Kenneth was een mafkees vond Jan, een straatvechter die de hele tijd met zijn vuist op mijn gezicht mikte, terwijl ik, als een worstelaar in de ring, in een ogenblik zijn nek in mijn rechterarm greep en hem, een man van twee meter, met mijn eigen gewicht naar beneden trok en plat op de grond kreeg. Ik heb hem pas los gelaten toen ik hem hoorde gorgelen dat het genoeg was.

Sindsdien vertelt Jan mij niet alleen over de boutjes en de tandwielen.

Jan is de enige in de fietsenzaak die versnellingen van een oude Gazelle kan repareren.
Hij heeft een aparte werkplek op het podium. Verderop op de podium staat de tafel van de baas, André. André doet alleen de spaken. De rest van de werktafels staat beneden in de theaterzaal van de oude school. Vooraan, dicht bij de ingang en de kassa, werk ik omdat ik de kassa mag doen als André er niet is. Naast mij staat de tafel van Jeroen, een stille jongen met kaal geschoren rood hoofd uit Diemen-Zuid. Dieper in de winkel werken Kenneth en Dragen. Je kunt via 2 trappen aan de beide kanten van het podium naar Jan gaan met je technische vragen of om een stuk gereedschap van hem te lenen. Hij leent geen gereedschap meer aan Kenneth, omdat hij dat niet op de juiste plek aan het gereedschap board van Jan terug hangt. Jan wil gewoon zonder te hoeven kijken het juiste gereedschap uit het rek pakken. Zoals elke vakman dat hoort te kunnen doen.
Nadat ik een ander baan had gevonden ging ik af en toe langs de fietsenzaak om koffie te drinken met oude collega’s. De laatste keer was Jan er niet. Toen ik vroeg waar hij was pakte André een ingelijste foto van Jan uit de mappenkast achter de kassa en zei : “Hier is Jan; je mag hem boven je bed ophangen.”


Mama Alma

Een van mijn bijbaantjes was als A-hulp bij de Thuiszorg. Het was de enige instelling in Amsterdam in de jaren 90 die thuiszorg deed, een uitgebreid bedrijf. En het heette ook gewoon ‘Thuiszorg’. Ik had geen vaste cliënten. Zo kwam ik als “nieuwkomer” bij allerlei mensen thuis; wat via een andere weg onmogelijk was, geloof ik.

Mama Alma,

Alma zegt: “Alles is als een film. Ik ben actrice geweest. De naam Alma op de deur is van toen. Oh mooie Alma. Zo noemden ze mij toen. Wat voor de camera gebeurde vond ik het echte leven”.

  • - U heeft een mooi huis, licht en groot.

  • - Ja, maar ik woon alleen maar in dit gedeelte.

  • - Wat kan ik voor u doen?

  • - Als je wat boodschappen haalt op de markt. Ik heb niet veel nodig. Een paar plakjes kaas, iets lekkers voor de kerst. En een agenda voor het nieuwe jaar. Vorige jaar kostte het maar 5 gulden. Op de markt is er een kleine man die zo een grote viool speelt. Als je hem ziet, geef hem een guldentje en doe hem de groeten van mama Alma. Hij noemt me zo, ah ah, arm kind, mijn zigeunertje.

Terug van de markt sta ik voor de deur, mooie Alma, mama Alma, het zal lang duren totdat je de deur opendoet. Geen probleem als ik maar de decemberzon op mijn nek voel.

  • - Hallo Nosrat

  • - Hallo Alma, de groeten van de kleine man. Hij zei dat hij het druk heeft en kocht deze twee bossen bloemen voor jou.

  • - Oh, zet ze naast die foto. Ik ben een actrice geweest. Deze foto is van toen. Ik speelde een non. Die man naast mij is de regisseur. Een Rus. Hij noemde me als eerste Alma. Mooie Alma.


Mensje

Een van mijn bijbaantjes was als A-hulp bij de Thuiszorg. Het was de enige instelling in Amsterdam in de jaren 90 die de thuiszorg deed, een uitgebreid bedrijf en het heette ook gewoon ‘Thuiszorg’. Ik had geen vaste cliënten. Zo kwam ik als “nieuwkomer” bij mensen thuis; wat via een andere weg onmogelijk was, geloof ik. Een van de cliënten was een hele oude meneer die aan een van de straten achter de Rijnstraat woonde. Hij riep altijd tussen zijn zinnen klagend en met pijn in zijn gezicht: “Au Au mensje mensje”, alsof mensen hem veel hadden aangedaan. De eerste keer dat ik bij hem langs kwam vroeg hij: “Kun je ramen lappen?..Alleen maar deze.” En hij wees naar de ruit naast zijn bank en de shag, aansteker en asbak. “Zo kan ik de wijfjes beter zien.”, zei hij lachend.
Hij vroeg mij ook om naar buiten te gaan, de deur dicht te doen en aan te bellen. En hij deed open; het duurde een tijdje tot hij van zijn bank naar de voordeur was gelopen. Ik hoorde tussen zijn geklaag door: au mensje mensje. Dat deden we een paar keer als ik daar was.

Ik doe mijn best om zijn ruit schoon te krijgen. Af en toe kijk ik naar binnen naar hem. Hij steek zijn duim op. Ik lach en lees van zijn mond af: “Au mensje au mensje…”


Mohamed

Het breekt iets in mijn keel elke keer als ik in de licht bruine ogen van Mohammed kijkt. Ik zie daar zijn leemhuis dat in brand staat. Geweld, heel veel geweld. Hij zit vaak met een goedkope blik bier van Dirk op een bank op het plein en telt voor de miljoenste keer de verdiepingen van de hoge flat tegenover hem. Hij houdt zijn wijsvinger voor zijn rechteroog, net als je door de vizier van een geweer kijkt. Zo kan hij geen verdieping missen.


Stroopwafelautomaatmunt

De gladde jongen van het uitzendbureau heeft mij een baantje aangesmeerd. Ik moet me om zes uur s ’avonds aanmelden bij de grote beurs.

Ik zie de beurs voor het eerst van binnen. Onze klus is om tot zes uur s ’ochtends de beurs schoon te krijgen.

De voorman praat niet, hij fluit. Hij fluit naar je en wijst jou fluitend een plek aan. Daarna fluit hij weer naar je. Hij is of moe of hij gaat er vanuit dat je toch niet snapt wat hij wilt.

Dus gewoon fluiten.

Het is een leger van schoonmakers. De voormannen zijn Pakistanen. Het grootste deel van de schoonmakers zijn Afghanen, hoor ik in de pauze van een van hun. En de rest zijn een paar sukkels als ik die via het uitzendbureau daar zijn, een Egyptenaar met een donkere gebedsvlek op zijn voorhoofd, een Vietnamese vluchteling, een Hollandse student en nog een paar andere figuren. Het is te zien dat dit niet de eerste klus hier van de Afghanen is.

We vallen als een kolonie bezemdragende springhanen in lange rijen de paviljoenen aan, nemen al het vuil mee en laten een brandschoon paviljoen achter.

In de pauze krijgen we een koffieautomaatmunt en een stroopwafelautomaatmunt. Het is erg druk in de kleedkamer waar we pauzeren. Ze hadden ons in kleinere groepen en om zijn beurt pauze kunnen geven. Maar ik zie daar geen ideeënbusje staan. Fluitend zo iets aan de voorman uitleggen gaat ook niet lukken.

Het valt me op dat er zoveel geld op de grond ligt. Ik snap niet waarom mensen zoveel geld op de grond laten vallen. De beurs bezoekers zijn toch niet dronken? De bonus van de nacht ligt bij de afdeling Denemarken, een pakje Deense sigaret light waar alleen een sigaretje van weg is. Aan het uiterlijk van het pakje en de sigaret vermoed ik dat die van een vrouw moet geweest zijn.

s ’Ochtends fietsend in de dageraad, kijkend naar de Amstel met een Deense sigaret light tussen de lippen, weet ik zeker dat ik deze ochtend nooit zal vergeten.


Naar boven